Vóór de nationale krantenkoppen en het WNBA-sterrendom was A’ja Wilson al een onstuitbare kracht op het hardhout. Als middelbare scholier in North Carolina was ze niet alleen goed; ze was historisch dominant. De cijfers uit die tijd schetsen een beeld van een speler die het spel op elke zinvolle manier beheerste.
Wilson scoorde gemiddeld ongeveer 35 punten, 15 rebounds en vijf blocks per wedstrijd. Dat is niet alleen een statistiek; dat is een sloopploeg uit één vrouw. Ze leidde haar team naar een staatskampioenschap en bewees al vroeg dat ze een ploeg naar de ultieme prijs kon leiden. De lofbetuigingen volgden vanzelf. Het tijdschrift Parade riep haar uit tot Nationale Speler van het Jaar. De Women’s Basketball Coaches Association (WBCA) was het daarmee eens en overhandigde haar ook hun hoogste eer.
Het was duidelijk waar dit naartoe ging. Wilson bleef niet alleen dominant op de middelbare school. Met diezelfde meedogenloze energie ging ze naar de Universiteit van South Carolina. Daar hielp ze de Gamecocks naar een nationaal kampioenschap, waarmee ze een reis afsloot die begon met blokken en punten in gymzalen op middelbare scholen. De overgang van middelbareschoolfenomeen naar universiteitskampioen was geen sprong. Het was een vervolg.























